Het is zondag.
Ik ga met de trein naar oma in Utrecht.
Het regent een beetje.
Ik neem een kleine appeltaart mee.
In de hal van haar flat ruikt het naar soep.
Ik bel aan.
Oma doet open en we geven drie kussen.
We drinken thee met een koekje.
We kijken samen naar oude foto's.
Ik geef de planten water.
De tijd gaat snel, ik moet weer gaan.
Oma zwaait bij het raam.
In de trein denk ik: tot snel, oma.