Op Koningsdag liep ik met mijn zus over de vrijmarkt in Utrecht, want mijn vader was bijna jarig en ik zocht een cadeautje.
Iedereen droeg oranje, de lucht rook naar poffertjes, en uit een oud radiotje klonk krakerige muziek.
Ik dacht eerst aan een mok, maar dat voelde te makkelijk.
Toen zagen we een kraam vol elpees; mijn vader draait nog steeds graag jazz op zijn platenspeler.
Wist meteen: dit moest het worden.
De verkoper hield een verweerde plaat omhoog en zei dat Chet Baker hier beter klonk dan op Spotify.
Moest lachen, maar geloofde hem half.
Ik vroeg wat hij ervoor wilde hebben en na wat heen en weer praten waren we het eens over een tientje.
Had ik kleingeld? Gelukkig wel, want pinnen kon je er niet.
Later, bij de gracht, pakte mijn zus een stuk oranje lint uit haar tas en wikkelde het om de hoes.
Het zag er meteen feestelijk uit en terwijl we stroopwafels deelden voelde het alsof het cadeau al een verhaal had.
Thuis zette ik de plaat even op, zachtjes, om te checken of er geen kras in zat.
Die avond gaf ik het aan mijn vader; hij glimlachte, knikte naar de naald en zei dat dit precies was wat hij nodig had.