Nog voor de zon op was, stond ik al op perron 6, jas dichtgeknoopt tegen een miezer die maar niet ophield.
De omroepstem klonk sloom: door een seinstoring reden er minder treinen, en je voelde de hele menigte tegelijk zuchten.
Had de overstap in Duivendrecht op het oog, maar de metro deed er een schepje bovenop: deuren dicht, ik nog op de trap.
Op het nippertje de sprinter gehaald dankzij een conducteur die even de boel ophield; hij knipoogde: "We zitten vandaag allemaal in dezelfde trein."
Naast me schoof een vrouw met kinderwagen aan, die mopperde dat de bus al drie haltes had overgeslagen omdat het ramvol zat.
Onderweg ontvouwde zich het ritueel van het OV: inchecken met de OV-chipkaart, een geruststellend piepje, blikken die vastplakken aan vertrektijden.
Intussen telde ik de minuten—sollicitatie om negen uur—en nam toch niet het zekere voor het onzekere; eigenwijs, maar zo zit ik nu eenmaal in elkaar.
Op Utrecht Centraal was het een drukte van jewelste: koffers ratelden, iemand speelde piano, en regenjassen druipten als gordijnen.
Toch dacht ik dat zonder dit georganiseerde gedrang de stad meteen stilvalt; elke aansluiting een belofte dat het grotere geheel blijft draaien.
Bereikte uiteindelijk het kantoor vijf straten verder, kletsnat maar net op tijd; de receptioniste vroeg of de reis te doen was.
Ik lachte en zei: "Laat je de NS je biografie schrijven, dan krijg je spanning, uitstel en—heel soms—een happy end."
Op de terugweg voelde het perron onverwacht vertrouwd, alsof de reizigers en ik al jaren elkaars vaste medepassagiers waren.