Ik werd dertig en dacht: als we dan toch moeten vieren, doen we het op z’n Nederlands, met kringstoelen en appeltaart.
De woonkamer stond vol geleende klapstoelen, slingers hingen scheef maar vrolijk, en op tafel prijkte een slagroomtaart met veel te veel kaarsjes.
Was ik nou net de lucifers vergeten, belt de buurvrouw aan met een schaal bitterballen en zegt dat zij het wel oplost.
Ze stak met een aansteker uit haar jaszak de kaarsjes aan, terwijl iedereen al een plekje in de kring zocht en zich voorstelde aan de nicht die niemand kende.
Nog voor de koffie rond was, begonnen de verhalen: over fietsen tegen de wind in, vakanties aan zee, en die keer dat mijn vader de barbecue in de regen bleef verdedigen.
Ik zag er eerlijk gezegd een beetje tegenop om ‘dertig’ te horen, maar zodra de eerste toon van ‘Lang zal hij leven’ klonk, viel er iets van me af.
Je staat daar dan met je handen vol lucht, kijkt naar al die gezichten, en beseft dat het eigenlijk niet om cijfers gaat maar om wie blijft hangen na het laatste stukje taart.
Toen ik de kaarsjes in één adem uitblies, sprongen er kruimels als confetti op, en juichte oom Kees alsof Oranje gescoord had.
De buurvrouw deelde rond, iemand zette zachtjes een playlist met Nederpop aan, en mijn neefje kwam fluisterend vragen of hij mijn strik mocht, ‘gewoon om te bewaren voor later’.
Pas toen de dag naar avond kantelde en er alleen nog lege kopjes en servetten op tafel lagen, merkte ik hoe warm het nog hing in de kamer, alsof de slingers het licht vasthielden.
Ik ruimde met tegenzin de laatste bordjes op, maar nam me voor om volgend jaar weer zo’n kring te maken, desnoods met nog schevere slingers en een grotere taart.